Zeurpietendiscussie

In Nederland heerst al zo’n twee jaar de zwarte pietendiscussie. Ik bemoei me daar niet zo mee, heb er niet echt een mening over en vind zwarte, gekleurde of stroopwafelpieten allemaal prima. Nee, wat mij stoort, is de zeurpietendiscussie in mijn directe omgeving, en dan vooral die op dinsdag, woensdag en donderdag. Dat zijn namelijk de enige dagen die ik nog op school doorbreng (lees: niet alleen de dagen die ik ermee bezig ben).

Over drie weken zit mijn fulltime lessen volgen erop. Na de vakantie, examens en een vrije week begint mijn stage. Voor die tijd verwachten ze van ons op school dat we nog wat portfolio’s en opdrachten maken. Niet meer dan normaal, op een hogeschool. Maar blijkbaar, is dat voor sommige mensen nogal stressvol. En die mensen veroorzaken voor mij een ware ‘zeurpietendiscussie’. Want het zijn zoveel portfolio’s, en deadlines zijn zo kort, en we redden het allemaal niet (speak for yourself) en het geeft zoveel stress, en … en …

Knettergek wordt ik ervan, dat gezeur. Iedere les, elke dag opnieuw. Zet er een zielig vioolmuziekje onder, en je hebt een geweldig sentimentele film. Ik vraag me af hoe dit soort mensen het in het bedrijfsleven gaat aanpakken. Ook zeuren bij de baas, zodat die zegt: “Aaah weet je wat, voor jou zetten we de deadline een week later!” of nog beter: “Laat die opdracht maar zitten, klanten genoeg!” Een hogeschool hoort je voor te bereiden op het echte leven. En in het echte leven heb je nu eenmaal deadlines en taken, die soms misschien wat veel zijn. Het is niet voor niks dat ik én naar school ga, én daarbij werk én probeer een huishouden te runnen én 3 tot 4 keer per week sport. En ik haal mijn deadlines ook. Mijn taken zijn af omdat ik weet dat ik in het weekend moet werken en ons huis moet poetsen. Mijn wederhelft en katten willen ook wat aandacht.

Het is een kwestie van prioriteiten stellen. Studeren vergt nou eenmaal energie, en je hoeft echt niet altijd het hoogste punt te halen. Wees reëel en neem soms genoegen met iets minder. Niemand kan voor altijd, alle ballen hoog houden. Mij is het soms ook te veel. En dan zeur ik ook. Maar niet de hele dag, of tegen iedereen. Want als mensen gemekker willen horen, dan kopen ze wel een geit.

Was ik maar geboren in de jaren van mijn ouders…

Vandaag draait Q Music België de Rock 100. En ondanks dat ik deze week toch echt een jaartje ouder werd, besef ik opeens dat ik zo’n 30 jaar te laat geboren ben. Hoe verder de nummers naar de 1 gaan, hoe meer bevestiging dat ik krijg. “Though it’s cold an looooooooonely in the deepth of night”, lig ik opgerold in een dekentje op de bank te genieten van elk nummer. Begrijp me niet verkeerd, rockmuziek van nu mag er ook zijn. Stiekem bij ik loeihard aan het hopen dat Kings Of Leon op Pinkpop komen. Maar de muziek uit de jaren 70, dat heeft iets.

Zo gauw er bij mij vijf glazen bier in gaan, blijk ik ook opeens alle teksten te kennen. En ik weet dat ik niet de enige van mijn leeftijd ben die dit ervaart (iknoemgeennamenmaareenvanmijnnichtjesheefttoegevenkuchniekekuch). Dansbaar, meezingbaar en garantie voor feest, dat is jaren 70 muziek. Tegenwoordig is muziek vooral om keihard te ‘party-en’. Zo ervaar ik housemuziek als een confettikanon dat op ontploffen staat, iets dat meestal ook gebeurt als je die liedjes hoort op een festival. Nee, bij muziek uit de jaren 70 kun je in de huiskamer met de gordijnen dicht nog eens lekker losgaan met een luchtgitaarsolo, denkend dat je je roeping als muzikant gemist hebt.

Momenteel zit Q music op nummer 60, dat betekent dat ik nog ongeveer de hele dag kan luisteren naar mijn favoriete muziek. Dat ik me nog de hele dag 30 jaar te jong kan voelen. En dat ik nog een hele dag luchtgitaar solo’s met losgegooide haren mag doen. Dat ik met mijn twee katten kan stagediven en ongegeneerd kan mee zingen op alle klassieker en nog te worden klassiekers.

Bespaar je een gluurtrip naar mijn huis, ik doe dit allemaal braaf met de gordijnen dicht 😉

“Want to tell you a story, ’bout a girl I know…… *gitaarsolooooooo*”

Concentratie level: Kartoffel

Daar zit ik dan, me al twee weken blind te staren op een boekje voor Frans. Als Nederlander in België hoort dat er nu eenmaal bij, dat Frans. Al 2,5 jaar doe ik mijn stinkende best om er iets van te maken, et j’ai réussi jusqu’à ajourd’hui! Maar hoe meer ik me blind staat op de taal van de Belgische zuiderlingen, hoe meer mijn concentratie level afzakt naar kartoffel. Oftewel, alles is interessanter dan Frans studeren.

Te beginnen thuis, de was doen en strijken zijn opeens top prioriteit. En stofzuigen was natuurlijk ook nodig. Laat staan dweilen, dat kan echt geen dagen meer wachten. En dan kreeg ik nog een uitnodiging om naar de BBB Horecabeurs in het Mecc te gaan. Tuuuuuuurlijk ga ik! Om mijn schuldgevoel van het niet-studeren enigszins te onderdrukken, ging ik op de beurs kijken naar Laurent Favre-Mot, een Franse patissier. Zo werkte ik toch een beetje aan mijn Franse vocabulaire uitbreiding, mais oui!

Daarna in de trein, de ideale plek om te studeren. Maar wanneer het echt moet, zijn telefoongesprekken van anderen opeens zeer interessant. Of de Facebook van je buurman meelezen. En naar buiten kijken, je afvragen waarom een boer in godsnaam nog gras heeft afliggen… Oh, en niet te vergeten, de binnenkant van mijn ogen, want daar gebeuren spannende dingen.

Als laatste op mijn kot, blijkt dat daar óók gestofzuigd en gedweild kan worden. Hoera! Nog meer studieontwijkende maatregelen. En de kastjes, misschien kan ik die eens opnieuw indelen… Al met al zijn er zoveel dingen leuker dan Frans studeren.

Maar nu zit ik hier nog steeds met een ijzeren wil en motivatie om als Nederlandse Belg (of Belgische Nederlander?) mijn Frans met goede cijfers achter me te laten over een half jaar. Om me daarna te focussen op dingen die ik leuker vind om te doen. Nee, niet wassen en strijken of doelloos naar buiten kijken. Werken bijvoorbeeld, nutteloos op de bank hangen zonder de drang te moeten studeren. Met een gevoel van: Ik heb niks te studeren, wat ga ik doen met mijn leven?! Grapje, er is nog zoveel te doen dan alleen studeren. Maar voor nu, je vais continuer étuder mon français et j’espère que vous trouviez mon blog très intéressant.

À bientôt. Kartoffel.

HOERA, het is een tweeling!

Eergisteravond was het zo ver. Na weken wikken en wegen, was de adoptie rond. Mijn wederhelft en ik zijn trotse ouders van Pierre en Gilbert! Helaas kon hun moeder niet meer voor ze zorgen, en in een gezin met 30 kinderen moet je er soms een aantal afstaan.

Het huis werd kid(t)-proof gemaakt. Papjes, brokjes en speeltjes lagen klaar. Na een lange reis van drie minuten waren de twee baby’s in hun nieuwe thuis. Meteen op verkenningstocht, om vervolgens tevreden in hun wiegje te belanden. Gisterochtend waren we zelf zo vroeg op, dat ze nog lekker lagen te slapen.

Maar omdat ze allebei nogal verkouden waren, was een bezoekje aan de dokter geen overbodige luxe. Meteen aan de antibiotica, arme kindjes. Hopelijk zijn ze over 10 dagen kerngezond en kunnen we volop gaan genieten. Nou ja, genieten… Voor butler spelen eerder gezegd. Pierre en Gilbert zijn namelijk geen echte baby’s, wat had je gedacht met mijn niet aanwezige kinderwens. Nee, ze zijn datgene wat je wel eens na een heftige avond drinken hebt; een kater. Twee zelfs. En katten hebben geen baasje zoals een hond, katten hebben butlers.

En die butlers poetsen iedere dag hun wc, zorgen dat er altijd eten is en als ze zich gedragen worden ze ook nog non-stop geaaid. Terwijl ik een poging tot Frans studeren doe, dartelen er twee zwarte panters om me heen. “EY, HONGER! – miauw”, en dan sta je op, loop je naar de kast en vul je het voerbakje. Vervolgens kijken ze je heel verbaasd aan, want DAT zat vanmorgen niet in dat bakje, nee dat was van dat vieze natte spul, veel lekkerder. En blijkbaar is de honger dan opeens voorbij. Ze druipen af, om zich vervolgens te wassen en in slaap te vallen. Ik snap het niet, als ik honger heb, wil ik gewoon íets te eten. Katten kunnen dat blijkbaar uitschakelen.

En dat is nou het fijne aan een kat, je hebt er nauwelijks omkijken naar. Zolang ze voer en water hebben, komen ze al een heel eind om zichzelf in leven te houden. Wat een leven, de hele dag op je luie reet zitten, die reet en de rest van je lichaam af en toe eens op je gemak wassen, en verder niets anders dan slapen en eten. Mocht reïncarnatie bestaan, dan kom ik terug als kat. Dan ga ik net als onze nieuwe Franse kameraden de hele dag niksen en profiteren van mijn butlers.

Studentenoma

Mijn eerste week zit erop. Het derde en laatste jaar van mijn Bachelor of Officemanagement. Over een kleine negen maanden ben ik afgestudeerd als Event- en Projectmanager. En ik ben dan 25 jaar.

Na drie maanden samenwonen, was doen, koken en een lekker huishoudelijk leventje geleid te hebben, was het me de eerste week wel. BAM opeens ben je het weer, student. Met mijn koffer in de trein, honderdduizend trappen op naar mijn nieuwe kamer. Tien vierkante meter kleiner wonen dan vorig jaar in Antwerpen. En nog wel minder vierkante meters dan in ons huis. Momenteel bevindt mijn douche zich op zo’n twintig centimeter van mijn kookplaat, onder mijn bed, en op twee meter van mijn bank. Excuseer, mijn ‘hoekelement’, want een bank past hier niet.

Mijn oude bank moest nog opgehaald worden, en mijn wederhelft was zo lief om dat dinsdag te komen doen. Na een tripje naar de gereedschapswinkel, nieuwe restaurants ontdekt, konden we aan de slag. Bank uit elkaar en in de auto geladen. Mijn wederhelft kwam met het plan om te blijven slapen, waarna ik me meteen afvroeg wáár hij dat ging doen. Na wat geschuif lag hij heel comfortabel op het kussen van mijn hoekelement. Dat hij daarvoor dubbelgevouwen moest liggen, was het ergste niet. Dat mijn onderbuurman relatieproblemen heeft waar een gast van de Jerry Springer show jaloers op zou zijn, dat was pas erg. De twee vonden dat ze dat moesten uitvechten in huis, en op straat. Achja, kan gebeuren.

En op dat moment dacht ik, ik word hier te oud voor. Ik ben misschien een zeikerd, maar heel dat studentenleven is aan mij voorbij gegaan. Na bijna drie jaar in Antwerpen zou ik nog steeds niet weten waar de studentenbuurt is. ‘t Vervolg heb ik nog nooit vanbinnen gezien en de keren dat ik hier dronken naar huis keerde, kwam ik uit Kelly’s Irish Pub gerold.

Is er überhaupt een bepaalde leeftijd dat je ‘te oud’ bent voor het studentenleven, of ben ik gewoon een studentenoma? Tijdens examens keer ik mijn studentenkaart om, stel je voor dat iemand mijn geboortejaar ziet. Leraren zijn plotseling niet veel ouder dan ik en leeftijdsgenoten trouwen en krijgen kinderen. En wat doe ik? Ik hoop vurig dat ik over negen maanden een mooi Bachelor diploma kan baren. Een paar weken daarna zal de babyborrel zijn, inclusief gepast feest. Ik word tenslotte Eventmanager. Tot die tijd party ik in Antwerpen ‘s avonds keihard met liters thee, ga ik braaf naar de les (what else to do als je de helft van ‘t Stad niet kent…) en geniet ik van mijn weekenden thuis.

Studeren als je wat ouder bent, het is me wat. Maar deze oma doet het wel maar mooi. Op stap gaan door de week, lieve medestudenten, CHAPEAU! Ik doe het jullie niet na. Mijn ‘recovertijd’ is namelijk net iets langer helaas…. Maar die bachelorbaby die ik over 9 maanden in mijn wiegje hoop te hebben, ga ik vieren, in eventmanagerstyle, met een week om bij te komen.

Eerlijk zullen we alles delen

Vandaag de dag leven we in een wereld die zich meer online afspeelt, dan offline. We willen 24 uur per dag bereikbaar zijn, sommigen moeten dat zelfs. Tijdens de les zit iedereen continu op zijn of haar gsm. De fietsers op straat zijn wereldkampioen in ‘nergens-tegenop-fietsen-met-een-gsm-in-mijn-hand’. Wanneer we gaan uiteten, kijken we om de haverklap of er nog apps of likes binnengekomen zijn, alsof het gezelschap aan tafel niet genoeg is.

Anno 2016 willen we ons leven delen met de wereld. Maar zijn we hierin wel zo eerlijk? Delen we wel echt álles, of is het leven online anders dan de werkelijkheid? De gemiddelde Instagrampagina is gevuld met #healthyfood en #bikinibody. Wie mij kent, weet dat ik graag sport en gezond eet. Maar denk maar niet dat ik niet los kan gaan aan glazen bier, pinda’s en andere #notsohealthyfood. Maarja, dat delen we niet, want dat wil niemand zien. Wat willen we dan wel zien van elkaar? Eerlijk gezegd, ben ik helemaal niet geïnteresseerd in wat je ‘s avonds eet, wat je op vakantie doet of 10000 foto’s van een baby.  Begrijp me niet verkeerd, zelf doe ik eraan mee. Ik deel ook mijn hoogtepunten en andere dingen die ik ‘deelbaar’ vind. Maar er zijn grenzen, 3 foto’s en berichten over courgetti met homemade avocadosaus, daar zit niemand op te wachten.

Eigenlijk is sociale media zoiets als alcohol. Geniet, maar gebruik met mate. Geniet vooral van alle onzin die voorbij komt, maar denk in het vervolg eens na voordat je iets plaatst. Ik wil niemand tegenhouden om zijn of haar verhaal te plaatsen op internet. Maar eens je iets plaatst op het grootste platform ter wereld, gaat het er nooit meer af. Ook niet de foto waar een van je vrienden, dronken in de greppel ligt, die jij voor de grap op zijn tijdlijn plaatst. Misschien loopt ‘ie zo zijn droombaan wel mis.

Moraal van dit verhaal, wat zou het fijn zijn als mensen een beetje eerlijker waren op sociale media. Of wat gevarieerder. Niemand heeft een perfect leven, althans offline niet. Dus vanaf nu, niet meer ‘eerlijk zullen we alles delen’, maar ‘alles zullen we eerlijk delen’.

Hometown

Geulle, mijn geliefde dorpje. Ik ben er geboren en opgegroeid. Mijn favoriete plek op de wereld, de dijk langs het Julianakanaal. Mijn ouderlijk huis heeft een postcode uit Bunde, maar als iemand me zegt dat ik uit Bunde komt, word ik gek, want nee ik ben van Geulle. Ik fietste 8 jaar lang ki-lo-me-ters naar de basisschool. En naar de supermarkt, want die hebben we niet. Maar wat we wel hebben, is elkaar. Niemand is te beroerd om een ander te helpen. Als je door de straten rijdt of loopt, ben je continu aan het zwaaien, want iedereen kent elkaar. Je maakt een praatje met elkaar, vertelt dat je al weken rondloopt met een verkoudheid. En als je dan twee dagen later met iemand anders op straat vertelt, vraagt die je of je soms kanker hebt, want dat hadden ze gehoord.

Zo gaat dat namelijk in Geulle, mensen praten over alles en iedereen. Maar vooral niet over zichzelf. Waar je het ene moment als koppel een meningsverschil hebt, ben je drie deuren verder al bijna gescheiden. En mocht je dat zelf nog niet weten, is er vast wel iemand die je dat komt vertellen. Want meestal, hebben ze dat gehoord. Scheiding hier, ziekte daar, Goede Tijden Slechte Tijden is er niks bij. Ik denk dat RTL nog grof geld zou kunnen verdienen aan een real life soap: De escapades in Geulle. En het feit dat ik in een eetcafé werk en het gros van de klanten persoonlijk ken, maakt het alleen maar leuker. Want blijkbaar ben je een tussenpersoon als je in een café werkt. “Höbste niks gewjèrd van Pietje van Kläöske, dae zou gaon sjeien?!” Who.the.fuck.is Pietje van Kläöske en waarom zou ik er meer van weten? Maar eigenlijk maakt dat het werk nóg leuker, want je bent een wandelende dorpskrant die alles van iedereen hoort te weten.

Maar ik wil helemaal geen dorpskrant zijn, en ik wil er al helemaal niet instaan. Mensen hoeven niet te speculeren wat ik heb/doe/beleef, en mochten ze dat toch willen weten, ze weten waar mijn huis woont en naast de voordeur zit een werkende bel. Ik vertel ze met alle plezier wat mij bezighoudt. Maar ik geloof niet dat ik zo’n interessant leven beleef dat iedereen er weet van moet hebben. Dus als iedereen gewoon bij mijn voordeur wegblijft, zodat ik mijn stoep daar kan schoonhouden. En als iedereen zijn eigen stukje stoep schoonhoudt, letterlijk en figuurlijk, want de gemeente Meerssen wil Geulle nog wel eens vergeten, dan hebben we én opgeruimde stoepen, én vrolijke mensen die niet een of andere in de wereld geroepen ziekte of scheiding hebben.

Geulle, het dorp waarover ik tot op de dag vandaag altijd zei dat ik er nooit wegging. Maar ook het dorp waar alles en iedereen het gesprek van de dag is. Het Julianakanaal loopt van Maastricht tot Maasbracht, mijn favoriete plekje op de dijk zal dus ook vast wel in een ander mooi dorp liggen. Ik snapte nooit dat mensen hier weggingen voor het geklets onder elkaar, maar ik zal je zeggen dat ik steeds meer begrip voor ze krijg. Laat mensen maar kletsen, dan hou ik ondertussen mijn eigen stoep schoon…

Nesteldrangst

Sinds een week of vier heb ik het ouderlijk nest verlaten om zo’n 2 kilometer verderop te gaan wonen. Van een rustige boerderij in een straat zonder verkeer,  naar een vrijstaande woning in een straat. Iedere auto/persoon/fietser/Pokémon Go-er bekijk ik, of nee, ik kijk ze van de straat af. Want als iemand naar binnen kijkt, scheld ik in mezelf. Maar blijkbaar is dat normaal in een drukke straat, dat je bij mensen naar binnen gaapt. Dus probeer ik mezelf in te houden (of ik trek de rolgordijnen af.)

Ik begrijp dat je je nu afvraagt waarom ik dan in godsnaam hier ben gaan wonen. Nesteldrang noemen ze dat. De drang naar een eigen, vaste plek. Al twee jaar woon ik in Antwerpen, thuis bij mijn ouders én nog een paar nachten per week bij mijn wederhelft thuis. Altijd aan het slepen met spullen en wanneer ik iets nodig had, lag het altijd in een ander ‘thuis’. Dat ‘ge-pak-ezel’ van huis naar huis en iedere nacht in een ander bed, daar heb je op een gegeven moment genoeg van. En net op dat moment ging de wederhelft zijn eigen huis betrekken. Met de vraag of ik meekwam. Voor wie ons kent en weet hoe de vork in de steel zit, zou dat voor beiden een hele opgave zijn. Maar na lang wikken en wegen nam ik een besluit, en drie dagen later woonde ik voor het eerst écht op mezelf. De was breng ik nu niet meer naar huis, maar doet vriendlief met alle plezier (waarvoor dank!). Boodschappen doen voor twee en eindelijk grotere porties koken. Jep, het huishoudelijke leventje bevalt me wel.

Dat lang wikken en wegen heeft verschillende redenen. Kan ik wel écht op mezelf wonen? Misschien vindt mijn wederhelft me wel een heks als hij me dag en nacht meemaakt. Of ik kook niet lekker. Of ik doe niet genoeg in het huishouden. Of mensen gaan over me praten. Of… misschien had ik gewoon een beetje angst om thuis te vertrekken na 24 jaar op dezelfde plek. Dat was ook het geval toen ik naar Antwerpen vertrok. Maar volgens mij valt dat allemaal wel mee, en tot nu toe zit ik prima op mijn plekje. Scheld ik af en toe op wat mensen die naar binnen gapen en irriteer ik me eigenlijk te veel aan de overbuurman die vastgeroest zit op zijn oprit.

Uit huis gaan heeft zijn voor- en nadelen. Ik denk dat iedereen op een bepaalde leeftijd wel te maken krijgt met nesteldrangst. Ergens vind je het prima om thuis ‘bie de pap en de mam’ te wonen, maar stiekem is een eigen plek toch ook wel fijn. En daarbij heb je weer een nieuwe plek op de koffie/bezoek/eten te gaan, wanneer je bijvoorbeeld even geen zin hebt om zelf iets te maken. Want ik heb misschien wel nesteldrangst, ik denk dat er in het ouderlijk huis ook twee zitten die met een soortgelijk probleem zitten. Dus Hilly, wielaat kén ich aansjuuve?

Een zone van comfort

Aan het begin van het schooljaar had ik een gesprek met het opleidingshoofd. Ik was in een andere groep gezet voor Frans, waardoor ik in mijn ogen bergen meer werk zou hebben. Voor een vak wat me eigenlijk niet interesseert. Zij vond dat ik eens ‘buiten mijn comfortzone’ moet stappen. Ik vond dat ik mijn energie beter kon stoppen in vakken die ik wel leuk vond.

“Get out of your comfortzone, it’s where the magic happens.”

Deze quote kom je veel tegen op sociale media. Schijnbaar vindt de wereld, mijn opleidingshoofd inclusief, dat je comfortzone een akelige plek is. Daar gebeuren geen leuke dingen en is het saai. Tegenwoordig moet je er mijlenver buiten stappen, wil je iets van je leven maken. Maar ik vraag me af, wat is er mis met die zone? Moeten we als studenten dan allemaal op Erasmus of buitenlandse stage? Moeten we na onze studie een jaar gaan backpacken Down Under, vrijwilligen in Afrika of nieuwe culturen ontdekken in China? Sinds wanneer is het niet meer goed om gewoon je opleiding op je school af te maken en vervolgens te gaan werken?

Begrijp me niet verkeerd, ik vind het knap dat mensen hun comfortzone in Nederland of België verlaten om nieuwe dingen te ontdekken. Maar verhuizen naar Antwerpen was twee jaar geleden behoorlijk ‘out of my comfortzone’. Daarnaast heb ik met mijn 24 jaar oud al heel wat van de wereld gezien. Zambia, Canada en Curaçao heb ik al af mogen strepen op mijn lijstje. En dat lijstje wil ik zeker aanvullen. Ook ik wil nieuwe culturen, landen en mensen ontdekken. Maar dan gewoon, op mijn manier.

Ik zit eigenlijk wel goed in mijn comfortzone. Wonen in een boerendorp, werken in een café en studeren in Antwerpen. Wat heb ik eraan om grote ambities te hebben, buiten mijn zone, om die vervolgens niet te halen en weer terug te stappen. Met waarschijnlijk een falend gevoel? Het is goed om af en toe dingen anders te doen dan je gewend bent. Maar leven buiten je comfortzone is voor mij een no-go area. Nee, laat mij maar lekker in mijn zone zitten, met af en toe een been buitenboord.

Is dit nu later als ik groot ben?: Alle ballen hooghouden

Ik geef het toe, ik ben een strevertje. Een perfectionist voor mijn eigen voorkomen. Niet qua uiterlijk, maar qua kunnen. Stiekem wil ik overal de beste in zijn. Hoge cijfers halen, beter dan de rest. Vier keer per week sporten. Leuk zijn voor mijn vrienden. Iedere dag een gezonde maaltijd koken. Altijd goed gezind zijn. Hard werken. En dan daarbij ook nog een beetje leuk uitzien. Oftewel, ik heb een hele hoop ballen die ik hoog moet houden. Beter gezegd, hoog WIL houden. Want moeten, dat vind ik eigenlijk een akelig woord. In het Limburgs dialect is er een gezegde: “Motte, die zitte achter de deur!” want ‘motte’ betekent moeten, maar ook die bruine vliegende insectjes die op licht afkomen. Maar dat gezegde wil zeggen (want dat doet een gezegde), dat niks moet.

Soms zou ik willen dat ik wat vaker dingen ‘niet zou moeten’. Of niet zou willen. Is het erg om eens een week niet te gaan sporten? Om af en toe los te gaan aan frietjes met bitterballen? Om een dag zonder spijt in bed te blijven liggen? Om eens ‘nee’ te zeggen tegen vrienden? Om eens een onvoldoende te halen? Als kind moest ik niets, behalve tekeningen maken op school. Die bal was makkelijk hoog te houden. Maar in de loop der jaren zijn er steeds meer ballen bij gekomen, en ik heb helaas maar twee voeten om ze hoog te houden. Op het moment gebruik ik ook mijn armen, hoofd en schouders om ze allemaal hoog te houden. En daar word ik een beetje moe van. Maar dan ga ik vergelijken en denk ik: “anderen kunnen dit, dus ik moet dit ook kunnen.” En daar heb je dat akelige woord weer, moeten. Ik moet niet vergelijken of kijken naar anderen. Iedereen is anders, godzijdank, anders was het een saaie boel op de wereld.

Soms voelt het zelfs alsof iedereen om me heen maar ballen blijft gooien, in alle soorten en maten. Voetballen, tennisballen, pingpongballen en noem maar op. En dan komt lichtelijk een autist in mij naar boven, vlucht ik naar een rustig plekje waar niemand iets tegen me zegt. Mijn kot bijvoorbeeld. Het enige rustplekje in een bruisend Antwerpen. Als plattelandsmeisje wordt het me af en toe wat veel. Honderdduizend kinderen op straat, fietsers, skateboarders en voetgangers kruisen en ontwijken elkaar. Dan ben ik blij als ik drie etages hoog op mijn 35m2 arriveer, ongegeneerd een dutje kan doen op de bank, of in bed. Waar ik op mijn gemak uitgebreid kan koken of een boek kan lezen. Waar niemand me stoort en niemand me iets vraagt. Totdat ik een paar uur niemand gehoord of gezien heb. Of wanneer ik drie dagen geen Limburgs gesproken heb. Dan pas trek ik er weer op uit of bel ik naar huis. Om weer ballen op te vangen en hoog te houden. Om weer verantwoordelijkheden te hebben en dingen te moeten. Nee, ik ging minder ‘moeten’. Het enige dat we écht moeten, is doodgaan. Anders wordt het echt druk op straat. Voor nu, ga ik nog een balletje hooghouden. Of twee.