Grande Finale

Januari is half voorbij, de meeste mensen hebben net afgeteld naar een nieuw jaar en zitten er nu al lekker in. Voor mij is de maand van ‘de laatste …’ aangebroken. Van de laatste keer op ‘kot’ slapen, de laatste keer écht studeren, de laatste keer examens maken tot de laatste keer een pot pindakaas openen op kot en de laatste keer in de trein (halleluja). La Grande Finale is aangebroken.

Over twee weken begint mijn stage, lekker vertrouwd in het Limburgse. Daarmee komt er een einde aan het Antwerpse tijdperk in mijn bestaan. Drie jaar geleden besloot ik Limburgia te verlaten en mijn geluk te zoeken in ’t Stad. Al snel kwam ik naast ieder weekend, ook dagen door de week naar huis. Dat stadse leventje was toch niet zo mijn ding. Stoplichten, trams, hordes bussen en schoolgaande kinderen, ik was het allemaal niet gewent. Je kunt het meisje wel van de boerderij halen, maar de boerderij niet uit het meisje. Van een tuin rond het huis zo groot als het Antwerpse Stadpark (grapje), naar enkel mos op de vensterbanken. Van overal met de auto naar toe gaan, naar alles fijn in de buurt. Van mijn geliefde wandelingen over de dijk, naar wandelingen langs de straat (lekker binnen gapen bij iedereen). Nee, ’t Stad heeft mijn hart niet zozeer gewonnen dat ik er wil blijven.

Maar Antwerpen heeft zeker wel een plekje in mijn hart gewonnen. Ik heb er tenslotte toch 3 jaar herinneringen gemaakt. En dan vooral mijn schoolavontuur. Het was ergens wel een sprong in het diepe, weer gaan studeren en ook nog in het buitenland. En dan kom je daar, halverwege het jaar, als Nederlander, tussen de Belgen. Niemand die iets tegen je zegt, want als Belgen eenmaal een groepje hebben, komt daar niemand meer in of uit. Althans, zo zag ik dat. Maar het eerste halfjaar overleefde ik door als einzelgänger veel te sporten en me volledig op school te storten. Je moet wat. Vanaf het nieuwe academiejaar kwam ik in een klas waar eigenlijk niemand zich nog kende. YES, time to make friends. Zo gezegd, zo gedaan. En mede door Astrid, mijn partner in crime, mijn all time ‘KDG-buddy’ en theeleut, zijn de afgelopen 2,5 jaar tot een succes geworden. Als wij samen een blog begonnen waren met onze gesprekken, zouden we geld verdiend hebben. Zo zien wij dat in elk geval. Elkaars klaagmuur, sad violisten en hier en daar CAPSLOCK FOR LIFE. Duizendmaal dank, lieve Astrid, voor je eindeloze aanmoediging als ik het stressniveau van bepaalde, niet nader te noemen, personen aannam. Dat we in onze toekomst nog vaak samen een viool mogen spelen!

Half mei ben ik als het goed is ‘student-af’. Dan is het afgelopen met op en neer reizen. Afgelopen met op twee plekken wonen. Geen dubbele spullen meer. Geen leefruimte van 20m2 meer. Vanaf dan is het één huis, met nog steeds veel dubbele spullen. Tijd om te gaan werken, in een baan en aan de toekomst. Om te dromen over misschien wel een eigen bedrijf, in evenementen of toch de horeca? Ik beloof jullie een terugblik over 10 jaar, kijken waar we gestrand zijn. Voor nu, Antwerpen merci, om mij drie jaar te verwelkomen en me wijzer te laten vertrekken. Voor gezellige avonden in Kelly’s Irish pub en alle lekker restaurantjes. Voor de hardlooprondjes in het park en de fietsrondjes door ’t Zuid. Beste Antwerpen, ‘k Zien a geire en tot ziens!

Leeve Bernadette

Leeve Bernadette

’t Is inmiddels al döbbel zwalang datse d’r neet mjè bés, dan datse d’r ooit waal waors. Ich zal ’t nwats vergaete, 26 februari 2000, de daag tôt ich es achjäörig meadsje inins jèl good begreep, wat onbegrip waor. De daag van te veure kaomp geer truk van Zwitserland nao ein skivakantie met Jo en Peter en Hilly. 850 kilomaeter gevare, niks aan de hand. Ich hou die waek bie oma geslaope en zou ’s aoves, es geer alles houwt oetgepakt, weer heivers gaon. Mèh opins zaot oma aan de taofel te huule, en zag Anke, tôt stich erg krank waors. Onweitend bleef ich nog ein nach bie oma.

’s Mörriges kaom Hilly mich haole, ich weit nog good dat ’t eine witte jas droog. ’t Naom mich mét nao de stèl, en op ’n pak strwè vertelde ’t mich, dat stich de daag van te veure plotseling gestorreve waors. Zittend op eine stool veur de speegel aan de vinster. Eine hartaanval, en neemes dae nog get veur dich kôs doon. Ich waor ach jaor, en mien twjèdde mam storf. Degene wa ich altied alles moch, wat mich zwaväöl hou geljèrd, en wavan ich nog väöl hou wille ljèrre, waor d’r opins neet mjè.

D’r gaon daag, misjien soms zelf waeke veurbie dat ich neet aan dich dénk. Mèh in eine tied wa väöl verandert, zou ich zwa gaer nog ins bie dich langskomme. Ich weit zeker tôt de Cup-a-soup vaerdig zou staon, dien naegel sjwan rwad gelak zouwe zeen, en tôt mien slaopkamer opgeruimp zou zeen, veur es ich soms toch bleef slaope. Want zwa waor ’t altied, dan kaom ich door de wei aaf door ’t päörtsje in de hégk, speciaal veur ôs gemaak. Dan ginge v’r e ritsje make in de Peugeot, en moch ich op diene sjwat d’n auto besture. Of op goonsdigmiddig nao de sjwal in Ulestraote, gezéllig spele met de kénger waste lés aan goofs. Ich hou e laeve wie God in Frankriek es ich bie dich waor. Door dich kôs ich op jonge laeftied al good laeze. De wols mich neet döbbel laote peutere in groep 2. Oefende mét mich veur mien kemmune. En dat waor auch ’t léste datse veur mich deechs.

Ongertössje zeen zwaväöl dinger gewaes, wabiese houws kénne hellepe, of mich raod houws kénne gaeve. Mien keus op de middelbaar sjwal, daonao veur ein hbo-opleiding. En neet allein bie keuzes veur sjwal dénk ich aan dich, mèh bie honderddoezend anger dinger.

Ich vraog mich waal ins aan, of ich dezelfde persoon gewore waor, es dich waors blieve laeve. Neet tôt ’t noe neet good is, puur oet nuusjèrrigheid. ’t Versjil zal ich nwats weite, en dao höb ich auch vrae mét. Tieje verangere en luu verangere. Es dich noe plotseling weer hie zouws zeen, zouwse versteld staon, misjien zellefs teleurgestéld zeen, van wie t noe allemaol draan toe geit.

Soms is ’t laeve onjèrlik, verleeze v’r luu die nog neet maoge gaon. Ich hou nog zwaväöl aan dich wille vraoge in mien laeve. En ich vraog mich dékker aaf wiese véngs tôt ich t noe doon.

Ich zou zwa gaer nog ins “effe kômme plenke”. Gewoon effekes, al waor t mèr veur eine kjer …

Proficiat!

Leefs

Elke

 

Lieve Bernadette

Het is inmiddels al dubbel zolang dat je er niet meer bent, dan dat je er ooit wel was. Ik zal het nooit vergeten. 26 februari 2000, de dag dat ik als achtjarig meisje opeens heel goed begreep, wat onbegrip was. De dag ervoor kwamen jullie terug van vakantie met Jo en Peter en Hilly. 850 kilometer gereden, niks aan de hand. Ik had bij oma gelogeerd, en zou ’s avonds, nadat alles uitgepakt was, naar huis gaan. Maar opeens zat oma aan tafel te huilen en zei Anke, mijn tante, dat je erg ziek was. Onwetend bleef ik nog een nachtje bij oma.

’s Morgens kwam Hilly me halen, ik weet nog dat ze een witte jas droeg. Ze nam me mee naar de stallen, en op een pak stro vertelde ze me, dat jij de dag ervoor plotseling overleden was. Zittend op een stoel, voor een spiegel aan het raam. Een hartstilstand, en niemand die nog iets voor je kon doen. Ik was acht jaar, en mijn tweede moeder overleed. Degene waar ik altijd alles mocht, die me zoveel had geleerd, en waarvan ik nog veel had willen leren, was er niet meer.

Er gaan dagen, misschien soms zelf weken voorbij dat ik niet aan je denk. Maar in een tijd waar er veel verandert, zou ik zo graag nog eens bij je langskomen. Ik weet dat de Cup-a-soup zou klaar staan, je nagels mooi roodgelakt zouden zijn, en mijn slaapkamer zoals altijd netjes opgeruimd. Want zo was het altijd, voor als ik soms toch bleef slapen. Dan kwam ik van bij ons thuis gelopen door de wei, waar een hekje in de heg zat, speciaal voor ons. Dan gingen we een ritje maken in de Peugeot, en mocht ik op je schoot de auto besturen. Of op woensdagmiddag naar Ulestraten, gezellig spelen met de kinderen waar je les aan gaf. Ik had een leven als God in Frankrijk als ik bij jou was. Jij zorgde ervoor dat ik op jonge leeftijd al goed kon lezen. Wilde me niet dubbel laten peuteren in groep 2. Oefende met me voor mijn communie. En dat was ook het laatste wat je voor me deed.

Ondertussen zijn er zoveel dingen geweest, waarbij jij had kunnen helpen, of me raad had kunnen geven. Mijn keuze op de middelbare school, daarna voor een hbo-opleiding. Niet alleen bij keuzes voor school denk ik aan jou, maar bij honderdduizend andere dingen.

Ik vraag me weleens af, of ik dezelfde persoon geworden was, als jij was blijven leven. Niet dat het nu niet goed is, pure nieuwsgierigheid. Het verschil zal ik nooit weten. En daar heb ik ook wel vrede mee. Tijden veranderen en mensen veranderen. Als je er nu plotseling weer zou zijn, zou je versteld staan van hoe het er nu allemaal aan toe gaat.

Soms is het leven oneerlijk, verliezen we mensen die nog niet mogen gaan. Ik had nog zoveel aan je willen vragen in mijn leven. Ik vraag me vaker af hoe je zou vinden dat ik het doe momenteel.

Ik zou zo graag nog eens ‘effe komme plenke’. Gewoon eventjes, al was het maar voor een keer.

Proficiat!

Liefs

Elke

Zeurpietendiscussie

In Nederland heerst al zo’n twee jaar de zwarte pietendiscussie. Ik bemoei me daar niet zo mee, heb er niet echt een mening over en vind zwarte, gekleurde of stroopwafelpieten allemaal prima. Nee, wat mij stoort, is de zeurpietendiscussie in mijn directe omgeving, en dan vooral die op dinsdag, woensdag en donderdag. Dat zijn namelijk de enige dagen die ik nog op school doorbreng (lees: niet alleen de dagen die ik ermee bezig ben).

Over drie weken zit mijn fulltime lessen volgen erop. Na de vakantie, examens en een vrije week begint mijn stage. Voor die tijd verwachten ze van ons op school dat we nog wat portfolio’s en opdrachten maken. Niet meer dan normaal, op een hogeschool. Maar blijkbaar, is dat voor sommige mensen nogal stressvol. En die mensen veroorzaken voor mij een ware ‘zeurpietendiscussie’. Want het zijn zoveel portfolio’s, en deadlines zijn zo kort, en we redden het allemaal niet (speak for yourself) en het geeft zoveel stress, en … en …

Knettergek wordt ik ervan, dat gezeur. Iedere les, elke dag opnieuw. Zet er een zielig vioolmuziekje onder, en je hebt een geweldig sentimentele film. Ik vraag me af hoe dit soort mensen het in het bedrijfsleven gaat aanpakken. Ook zeuren bij de baas, zodat die zegt: “Aaah weet je wat, voor jou zetten we de deadline een week later!” of nog beter: “Laat die opdracht maar zitten, klanten genoeg!” Een hogeschool hoort je voor te bereiden op het echte leven. En in het echte leven heb je nu eenmaal deadlines en taken, die soms misschien wat veel zijn. Het is niet voor niks dat ik én naar school ga, én daarbij werk én probeer een huishouden te runnen én 3 tot 4 keer per week sport. En ik haal mijn deadlines ook. Mijn taken zijn af omdat ik weet dat ik in het weekend moet werken en ons huis moet poetsen. Mijn wederhelft en katten willen ook wat aandacht.

Het is een kwestie van prioriteiten stellen. Studeren vergt nou eenmaal energie, en je hoeft echt niet altijd het hoogste punt te halen. Wees reëel en neem soms genoegen met iets minder. Niemand kan voor altijd, alle ballen hoog houden. Mij is het soms ook te veel. En dan zeur ik ook. Maar niet de hele dag, of tegen iedereen. Want als mensen gemekker willen horen, dan kopen ze wel een geit.

Was ik maar geboren in de jaren van mijn ouders…

Vandaag draait Q Music België de Rock 100. En ondanks dat ik deze week toch echt een jaartje ouder werd, besef ik opeens dat ik zo’n 30 jaar te laat geboren ben. Hoe verder de nummers naar de 1 gaan, hoe meer bevestiging dat ik krijg. “Though it’s cold an looooooooonely in the deepth of night”, lig ik opgerold in een dekentje op de bank te genieten van elk nummer. Begrijp me niet verkeerd, rockmuziek van nu mag er ook zijn. Stiekem bij ik loeihard aan het hopen dat Kings Of Leon op Pinkpop komen. Maar de muziek uit de jaren 70, dat heeft iets.

Zo gauw er bij mij vijf glazen bier in gaan, blijk ik ook opeens alle teksten te kennen. En ik weet dat ik niet de enige van mijn leeftijd ben die dit ervaart (iknoemgeennamenmaareenvanmijnnichtjesheefttoegevenkuchniekekuch). Dansbaar, meezingbaar en garantie voor feest, dat is jaren 70 muziek. Tegenwoordig is muziek vooral om keihard te ‘party-en’. Zo ervaar ik housemuziek als een confettikanon dat op ontploffen staat, iets dat meestal ook gebeurt als je die liedjes hoort op een festival. Nee, bij muziek uit de jaren 70 kun je in de huiskamer met de gordijnen dicht nog eens lekker losgaan met een luchtgitaarsolo, denkend dat je je roeping als muzikant gemist hebt.

Momenteel zit Q music op nummer 60, dat betekent dat ik nog ongeveer de hele dag kan luisteren naar mijn favoriete muziek. Dat ik me nog de hele dag 30 jaar te jong kan voelen. En dat ik nog een hele dag luchtgitaar solo’s met losgegooide haren mag doen. Dat ik met mijn twee katten kan stagediven en ongegeneerd kan mee zingen op alle klassieker en nog te worden klassiekers.

Bespaar je een gluurtrip naar mijn huis, ik doe dit allemaal braaf met de gordijnen dicht 😉

“Want to tell you a story, ’bout a girl I know…… *gitaarsolooooooo*”

Concentratie level: Kartoffel

Daar zit ik dan, me al twee weken blind te staren op een boekje voor Frans. Als Nederlander in België hoort dat er nu eenmaal bij, dat Frans. Al 2,5 jaar doe ik mijn stinkende best om er iets van te maken, et j’ai réussi jusqu’à ajourd’hui! Maar hoe meer ik me blind staat op de taal van de Belgische zuiderlingen, hoe meer mijn concentratie level afzakt naar kartoffel. Oftewel, alles is interessanter dan Frans studeren.

Te beginnen thuis, de was doen en strijken zijn opeens top prioriteit. En stofzuigen was natuurlijk ook nodig. Laat staan dweilen, dat kan echt geen dagen meer wachten. En dan kreeg ik nog een uitnodiging om naar de BBB Horecabeurs in het Mecc te gaan. Tuuuuuuurlijk ga ik! Om mijn schuldgevoel van het niet-studeren enigszins te onderdrukken, ging ik op de beurs kijken naar Laurent Favre-Mot, een Franse patissier. Zo werkte ik toch een beetje aan mijn Franse vocabulaire uitbreiding, mais oui!

Daarna in de trein, de ideale plek om te studeren. Maar wanneer het echt moet, zijn telefoongesprekken van anderen opeens zeer interessant. Of de Facebook van je buurman meelezen. En naar buiten kijken, je afvragen waarom een boer in godsnaam nog gras heeft afliggen… Oh, en niet te vergeten, de binnenkant van mijn ogen, want daar gebeuren spannende dingen.

Als laatste op mijn kot, blijkt dat daar óók gestofzuigd en gedweild kan worden. Hoera! Nog meer studieontwijkende maatregelen. En de kastjes, misschien kan ik die eens opnieuw indelen… Al met al zijn er zoveel dingen leuker dan Frans studeren.

Maar nu zit ik hier nog steeds met een ijzeren wil en motivatie om als Nederlandse Belg (of Belgische Nederlander?) mijn Frans met goede cijfers achter me te laten over een half jaar. Om me daarna te focussen op dingen die ik leuker vind om te doen. Nee, niet wassen en strijken of doelloos naar buiten kijken. Werken bijvoorbeeld, nutteloos op de bank hangen zonder de drang te moeten studeren. Met een gevoel van: Ik heb niks te studeren, wat ga ik doen met mijn leven?! Grapje, er is nog zoveel te doen dan alleen studeren. Maar voor nu, je vais continuer étuder mon français et j’espère que vous trouviez mon blog très intéressant.

À bientôt. Kartoffel.

HOERA, het is een tweeling!

Eergisteravond was het zo ver. Na weken wikken en wegen, was de adoptie rond. Mijn wederhelft en ik zijn trotse ouders van Pierre en Gilbert! Helaas kon hun moeder niet meer voor ze zorgen, en in een gezin met 30 kinderen moet je er soms een aantal afstaan.

Het huis werd kid(t)-proof gemaakt. Papjes, brokjes en speeltjes lagen klaar. Na een lange reis van drie minuten waren de twee baby’s in hun nieuwe thuis. Meteen op verkenningstocht, om vervolgens tevreden in hun wiegje te belanden. Gisterochtend waren we zelf zo vroeg op, dat ze nog lekker lagen te slapen.

Maar omdat ze allebei nogal verkouden waren, was een bezoekje aan de dokter geen overbodige luxe. Meteen aan de antibiotica, arme kindjes. Hopelijk zijn ze over 10 dagen kerngezond en kunnen we volop gaan genieten. Nou ja, genieten… Voor butler spelen eerder gezegd. Pierre en Gilbert zijn namelijk geen echte baby’s, wat had je gedacht met mijn niet aanwezige kinderwens. Nee, ze zijn datgene wat je wel eens na een heftige avond drinken hebt; een kater. Twee zelfs. En katten hebben geen baasje zoals een hond, katten hebben butlers.

En die butlers poetsen iedere dag hun wc, zorgen dat er altijd eten is en als ze zich gedragen worden ze ook nog non-stop geaaid. Terwijl ik een poging tot Frans studeren doe, dartelen er twee zwarte panters om me heen. “EY, HONGER! – miauw”, en dan sta je op, loop je naar de kast en vul je het voerbakje. Vervolgens kijken ze je heel verbaasd aan, want DAT zat vanmorgen niet in dat bakje, nee dat was van dat vieze natte spul, veel lekkerder. En blijkbaar is de honger dan opeens voorbij. Ze druipen af, om zich vervolgens te wassen en in slaap te vallen. Ik snap het niet, als ik honger heb, wil ik gewoon íets te eten. Katten kunnen dat blijkbaar uitschakelen.

En dat is nou het fijne aan een kat, je hebt er nauwelijks omkijken naar. Zolang ze voer en water hebben, komen ze al een heel eind om zichzelf in leven te houden. Wat een leven, de hele dag op je luie reet zitten, die reet en de rest van je lichaam af en toe eens op je gemak wassen, en verder niets anders dan slapen en eten. Mocht reïncarnatie bestaan, dan kom ik terug als kat. Dan ga ik net als onze nieuwe Franse kameraden de hele dag niksen en profiteren van mijn butlers.

Studentenoma

Mijn eerste week zit erop. Het derde en laatste jaar van mijn Bachelor of Officemanagement. Over een kleine negen maanden ben ik afgestudeerd als Event- en Projectmanager. En ik ben dan 25 jaar.

Na drie maanden samenwonen, was doen, koken en een lekker huishoudelijk leventje geleid te hebben, was het me de eerste week wel. BAM opeens ben je het weer, student. Met mijn koffer in de trein, honderdduizend trappen op naar mijn nieuwe kamer. Tien vierkante meter kleiner wonen dan vorig jaar in Antwerpen. En nog wel minder vierkante meters dan in ons huis. Momenteel bevindt mijn douche zich op zo’n twintig centimeter van mijn kookplaat, onder mijn bed, en op twee meter van mijn bank. Excuseer, mijn ‘hoekelement’, want een bank past hier niet.

Mijn oude bank moest nog opgehaald worden, en mijn wederhelft was zo lief om dat dinsdag te komen doen. Na een tripje naar de gereedschapswinkel, nieuwe restaurants ontdekt, konden we aan de slag. Bank uit elkaar en in de auto geladen. Mijn wederhelft kwam met het plan om te blijven slapen, waarna ik me meteen afvroeg wáár hij dat ging doen. Na wat geschuif lag hij heel comfortabel op het kussen van mijn hoekelement. Dat hij daarvoor dubbelgevouwen moest liggen, was het ergste niet. Dat mijn onderbuurman relatieproblemen heeft waar een gast van de Jerry Springer show jaloers op zou zijn, dat was pas erg. De twee vonden dat ze dat moesten uitvechten in huis, en op straat. Achja, kan gebeuren.

En op dat moment dacht ik, ik word hier te oud voor. Ik ben misschien een zeikerd, maar heel dat studentenleven is aan mij voorbij gegaan. Na bijna drie jaar in Antwerpen zou ik nog steeds niet weten waar de studentenbuurt is. ‘t Vervolg heb ik nog nooit vanbinnen gezien en de keren dat ik hier dronken naar huis keerde, kwam ik uit Kelly’s Irish Pub gerold.

Is er überhaupt een bepaalde leeftijd dat je ‘te oud’ bent voor het studentenleven, of ben ik gewoon een studentenoma? Tijdens examens keer ik mijn studentenkaart om, stel je voor dat iemand mijn geboortejaar ziet. Leraren zijn plotseling niet veel ouder dan ik en leeftijdsgenoten trouwen en krijgen kinderen. En wat doe ik? Ik hoop vurig dat ik over negen maanden een mooi Bachelor diploma kan baren. Een paar weken daarna zal de babyborrel zijn, inclusief gepast feest. Ik word tenslotte Eventmanager. Tot die tijd party ik in Antwerpen ‘s avonds keihard met liters thee, ga ik braaf naar de les (what else to do als je de helft van ‘t Stad niet kent…) en geniet ik van mijn weekenden thuis.

Studeren als je wat ouder bent, het is me wat. Maar deze oma doet het wel maar mooi. Op stap gaan door de week, lieve medestudenten, CHAPEAU! Ik doe het jullie niet na. Mijn ‘recovertijd’ is namelijk net iets langer helaas…. Maar die bachelorbaby die ik over 9 maanden in mijn wiegje hoop te hebben, ga ik vieren, in eventmanagerstyle, met een week om bij te komen.

Eerlijk zullen we alles delen

Vandaag de dag leven we in een wereld die zich meer online afspeelt, dan offline. We willen 24 uur per dag bereikbaar zijn, sommigen moeten dat zelfs. Tijdens de les zit iedereen continu op zijn of haar gsm. De fietsers op straat zijn wereldkampioen in ‘nergens-tegenop-fietsen-met-een-gsm-in-mijn-hand’. Wanneer we gaan uiteten, kijken we om de haverklap of er nog apps of likes binnengekomen zijn, alsof het gezelschap aan tafel niet genoeg is.

Anno 2016 willen we ons leven delen met de wereld. Maar zijn we hierin wel zo eerlijk? Delen we wel echt álles, of is het leven online anders dan de werkelijkheid? De gemiddelde Instagrampagina is gevuld met #healthyfood en #bikinibody. Wie mij kent, weet dat ik graag sport en gezond eet. Maar denk maar niet dat ik niet los kan gaan aan glazen bier, pinda’s en andere #notsohealthyfood. Maarja, dat delen we niet, want dat wil niemand zien. Wat willen we dan wel zien van elkaar? Eerlijk gezegd, ben ik helemaal niet geïnteresseerd in wat je ‘s avonds eet, wat je op vakantie doet of 10000 foto’s van een baby.  Begrijp me niet verkeerd, zelf doe ik eraan mee. Ik deel ook mijn hoogtepunten en andere dingen die ik ‘deelbaar’ vind. Maar er zijn grenzen, 3 foto’s en berichten over courgetti met homemade avocadosaus, daar zit niemand op te wachten.

Eigenlijk is sociale media zoiets als alcohol. Geniet, maar gebruik met mate. Geniet vooral van alle onzin die voorbij komt, maar denk in het vervolg eens na voordat je iets plaatst. Ik wil niemand tegenhouden om zijn of haar verhaal te plaatsen op internet. Maar eens je iets plaatst op het grootste platform ter wereld, gaat het er nooit meer af. Ook niet de foto waar een van je vrienden, dronken in de greppel ligt, die jij voor de grap op zijn tijdlijn plaatst. Misschien loopt ‘ie zo zijn droombaan wel mis.

Moraal van dit verhaal, wat zou het fijn zijn als mensen een beetje eerlijker waren op sociale media. Of wat gevarieerder. Niemand heeft een perfect leven, althans offline niet. Dus vanaf nu, niet meer ‘eerlijk zullen we alles delen’, maar ‘alles zullen we eerlijk delen’.

Hometown

Geulle, mijn geliefde dorpje. Ik ben er geboren en opgegroeid. Mijn favoriete plek op de wereld, de dijk langs het Julianakanaal. Mijn ouderlijk huis heeft een postcode uit Bunde, maar als iemand me zegt dat ik uit Bunde komt, word ik gek, want nee ik ben van Geulle. Ik fietste 8 jaar lang ki-lo-me-ters naar de basisschool. En naar de supermarkt, want die hebben we niet. Maar wat we wel hebben, is elkaar. Niemand is te beroerd om een ander te helpen. Als je door de straten rijdt of loopt, ben je continu aan het zwaaien, want iedereen kent elkaar. Je maakt een praatje met elkaar, vertelt dat je al weken rondloopt met een verkoudheid. En als je dan twee dagen later met iemand anders op straat vertelt, vraagt die je of je soms kanker hebt, want dat hadden ze gehoord.

Zo gaat dat namelijk in Geulle, mensen praten over alles en iedereen. Maar vooral niet over zichzelf. Waar je het ene moment als koppel een meningsverschil hebt, ben je drie deuren verder al bijna gescheiden. En mocht je dat zelf nog niet weten, is er vast wel iemand die je dat komt vertellen. Want meestal, hebben ze dat gehoord. Scheiding hier, ziekte daar, Goede Tijden Slechte Tijden is er niks bij. Ik denk dat RTL nog grof geld zou kunnen verdienen aan een real life soap: De escapades in Geulle. En het feit dat ik in een eetcafé werk en het gros van de klanten persoonlijk ken, maakt het alleen maar leuker. Want blijkbaar ben je een tussenpersoon als je in een café werkt. “Höbste niks gewjèrd van Pietje van Kläöske, dae zou gaon sjeien?!” Who.the.fuck.is Pietje van Kläöske en waarom zou ik er meer van weten? Maar eigenlijk maakt dat het werk nóg leuker, want je bent een wandelende dorpskrant die alles van iedereen hoort te weten.

Maar ik wil helemaal geen dorpskrant zijn, en ik wil er al helemaal niet instaan. Mensen hoeven niet te speculeren wat ik heb/doe/beleef, en mochten ze dat toch willen weten, ze weten waar mijn huis woont en naast de voordeur zit een werkende bel. Ik vertel ze met alle plezier wat mij bezighoudt. Maar ik geloof niet dat ik zo’n interessant leven beleef dat iedereen er weet van moet hebben. Dus als iedereen gewoon bij mijn voordeur wegblijft, zodat ik mijn stoep daar kan schoonhouden. En als iedereen zijn eigen stukje stoep schoonhoudt, letterlijk en figuurlijk, want de gemeente Meerssen wil Geulle nog wel eens vergeten, dan hebben we én opgeruimde stoepen, én vrolijke mensen die niet een of andere in de wereld geroepen ziekte of scheiding hebben.

Geulle, het dorp waarover ik tot op de dag vandaag altijd zei dat ik er nooit wegging. Maar ook het dorp waar alles en iedereen het gesprek van de dag is. Het Julianakanaal loopt van Maastricht tot Maasbracht, mijn favoriete plekje op de dijk zal dus ook vast wel in een ander mooi dorp liggen. Ik snapte nooit dat mensen hier weggingen voor het geklets onder elkaar, maar ik zal je zeggen dat ik steeds meer begrip voor ze krijg. Laat mensen maar kletsen, dan hou ik ondertussen mijn eigen stoep schoon…

Nesteldrangst

Sinds een week of vier heb ik het ouderlijk nest verlaten om zo’n 2 kilometer verderop te gaan wonen. Van een rustige boerderij in een straat zonder verkeer,  naar een vrijstaande woning in een straat. Iedere auto/persoon/fietser/Pokémon Go-er bekijk ik, of nee, ik kijk ze van de straat af. Want als iemand naar binnen kijkt, scheld ik in mezelf. Maar blijkbaar is dat normaal in een drukke straat, dat je bij mensen naar binnen gaapt. Dus probeer ik mezelf in te houden (of ik trek de rolgordijnen af.)

Ik begrijp dat je je nu afvraagt waarom ik dan in godsnaam hier ben gaan wonen. Nesteldrang noemen ze dat. De drang naar een eigen, vaste plek. Al twee jaar woon ik in Antwerpen, thuis bij mijn ouders én nog een paar nachten per week bij mijn wederhelft thuis. Altijd aan het slepen met spullen en wanneer ik iets nodig had, lag het altijd in een ander ‘thuis’. Dat ‘ge-pak-ezel’ van huis naar huis en iedere nacht in een ander bed, daar heb je op een gegeven moment genoeg van. En net op dat moment ging de wederhelft zijn eigen huis betrekken. Met de vraag of ik meekwam. Voor wie ons kent en weet hoe de vork in de steel zit, zou dat voor beiden een hele opgave zijn. Maar na lang wikken en wegen nam ik een besluit, en drie dagen later woonde ik voor het eerst écht op mezelf. De was breng ik nu niet meer naar huis, maar doet vriendlief met alle plezier (waarvoor dank!). Boodschappen doen voor twee en eindelijk grotere porties koken. Jep, het huishoudelijke leventje bevalt me wel.

Dat lang wikken en wegen heeft verschillende redenen. Kan ik wel écht op mezelf wonen? Misschien vindt mijn wederhelft me wel een heks als hij me dag en nacht meemaakt. Of ik kook niet lekker. Of ik doe niet genoeg in het huishouden. Of mensen gaan over me praten. Of… misschien had ik gewoon een beetje angst om thuis te vertrekken na 24 jaar op dezelfde plek. Dat was ook het geval toen ik naar Antwerpen vertrok. Maar volgens mij valt dat allemaal wel mee, en tot nu toe zit ik prima op mijn plekje. Scheld ik af en toe op wat mensen die naar binnen gapen en irriteer ik me eigenlijk te veel aan de overbuurman die vastgeroest zit op zijn oprit.

Uit huis gaan heeft zijn voor- en nadelen. Ik denk dat iedereen op een bepaalde leeftijd wel te maken krijgt met nesteldrangst. Ergens vind je het prima om thuis ‘bie de pap en de mam’ te wonen, maar stiekem is een eigen plek toch ook wel fijn. En daarbij heb je weer een nieuwe plek op de koffie/bezoek/eten te gaan, wanneer je bijvoorbeeld even geen zin hebt om zelf iets te maken. Want ik heb misschien wel nesteldrangst, ik denk dat er in het ouderlijk huis ook twee zitten die met een soortgelijk probleem zitten. Dus Hilly, wielaat kén ich aansjuuve?